BEKNOPTE VERKLARING
van de
MECHELSE CATECHISMUS
ten gebruike van het middelbaar onderwijs
EERSTE DEEL
–
ZESDE LES
Van de Schepping van de wereld
Almachtig | Reden van deze naam | Waarom wordt God genoemd almachtig? | ||||
Duidelijkste werk van Gods almacht | Waarin heeft God zijn almachtigheid meest getoond? | |||||
Schepper van hemel en aarde | Voornaamste schepselen | De mensen | Waarvan heeft God de mens gemaakt? | |||
De engelen | Waar zijn de Engelen gemaakt en waarvan? | |||||
Zijn de Engelen samen in de hemel gebleven? | ||||||
Welk is het ambt van de Engelen? | ||||||
Zijn er Engelen die ons bewaren? | ||||||
Welk is het ambt van de Engel, onze bewaarder? |
Waarom wordt God genoemd almachtig?
Omdat Hij met zijn goddelijke wil alle dingen kan maken en ook te niet doen
KENNIS – WIL
De eerste eigenschap van zijn Wil is
zijn Almachtigheid. Hieruit
Schepping.
Scheppen: Scheppen is iets van niets
maken. Is iets tot stand brengen zonder stofoorzaak, zonder
voorbestaande stof, doch al de andere oorzaken zijn er:
Werkende oorzaak (Hij), Formele (gedacht), Eindoorzaak
(doel). Bij Scheppen is alles aanwezig, behalve de stof. In
God is de essentie van alles aanwezig, dus haalt God alle
dingen uit zich.
Al wat bestaat buiten God is
voortgebracht door een werking van God, en dit op een gans
andere wijze. Van de werking van de 2ᵉ oorzaak. De 2ᵉ
oorzaken kunnen de vorm veranderen, doch de essentie blijft
dezelfde. Barak is
het begrip Scheppen in de Schrift, en zij bedoelt er altijd
een werking van God door, zonder voorbestaande stof.
Gods wereldplan
God heeft een zekere
wereld gekozen en hierin laat hij de 2ᵉ oorzaken hun gang
gaan; houdt Hij dit voor een speciaal geval tegen, dan doet
hij een mirakel. B.v. kletskop: voor het haar zijn er
bepaalde wetten, zijn die wetten niet voldaan, het haar valt
uit, moest het dan blijven, ’t ware God die tussenkwam in de
natuurlijke wetten.
Wij eten onze voorvaderen op.
De
strijd om het leven heeft als kwaad (zegt men) dat het één
dier leeft op het andere. Dat is echter de orde van de
natuur, het komt te goed aan het geheel, b.v. geen
insecteneters, hoeveel vliegen dan). In het menselijk
lichaam: microbes en witte bloedkorrels strijden voor het
evenwicht van het geheel. Het kleinere voor het grotere
opofferen, dit voor het algemeen welzijn. Dat fysiek kwaad
moet er dus zijn.
Het staat nergens geschreven dat God een volmaakte
wereld geschapen heeft. Een mens wordt dikwijls meer mens
omdat hij veel te strijden heeft – het fysiek kwaad, b.v.
warme streken en koude streken, alle grote cultuurvolkeren
hebben een grote strijd moeten voeren – fysiek
kwaad.
God laat de mens vrij beslissen, hij kan dus doen
wat hij wil. God eert de menselijke wil zo dat hij zelfs
toelaat dat de mens die wil. Fysieke daad (ook voor
het denken), ze is in zichzelf niet slecht, ze heeft een
graad van zijn en daardoor is ze goed. Morele
afwijking, de morele afwijking is een graad van niets
zijn en dat is daardoor een onvolmaaktheid. De mens is door
God uit het niet-zijn getrokken en gaat hoger en hoger op in
het zijn en in de Hemel wordt hij gestabiliseerd in het
ZIJN. Een zondaar kan niet volledig in het niets
terugzakken: de HEL is de limiet van het
niet-zijn. A. Er zijn dus drie dingen
vereist om almachtig te zijn:
1° Dingen kunnen maken en ook te niet doen;
2° Kunnen maken en te niet doen alle dingen, die in zichzelf mogelijk zijn en niet met de opperste volmaaktheid van een almachtig wezen strijden. God kan b.v. geen bergen maken zonder valleien, omdat dit in zichzelf onmogelijk is; Hij kan ook niet zondigen, omdat de zonde met zijn opperste volmaaktheid strijdt.
3° Alle dingen kunnen maken en ook te niet doen met zijn wil alleen, zonder daartoe iets dat vooraf bestaat, te gebruiken.
Noch mens noch engel, maar God vervult deze drie voorwaarden, en daarom wordt Hij almachtig genoemd.
Waarin heeft God zijn almachtigheid meest getoond?
In het scheppen of van niet te maken hemel en aarde en al wat er in is
V. Waarin: in welk uitwendig werk heeft God zijn almachtigheid meest getoond: op de klaarste wijze doen uitschijnen ?
A. In het scheppen of van niet te maken: scheppen dus is iets van niet maken, iets maken zoader daartoe een reeds bestaande stof te gebruiken, iets door de wil alleen tot het bestaan brengen; hemel en aarde, en al wat er in is: al wat buiten God bestaat. De uitdrukking hemel en aarde betekent gewoonlijk alle zichtbare en onzichtbare dingen die buiten God bestaan.
God heeft zijn almachtigheid in het scheppen van hemel en aarde waarlijk getoond, aangezien Hij wezenlijk hemel en aarde gemaakt heeft, ze gemaakt heeft door zijn wll alleen, en in die schepping alle slag van wezens tot het bestaan geroepen heeft: engelen, mensen, dieren, planten en levenloze zaken. Hij heeft zijn almachtigheid daarin meer getoond dan in zijn andere zichtbare werken, zoals in het besturen en bewaren van de wereld en in de mirakelen, omdat hij hierin ofwel zijn werk niet uit niet trekt, ofwel niet allerhande dingen maakt, gelijk in de schepping van hemel en aarde.
Waarvan heeft God de mens gemaakt?
Hij heeft het lichaam van Adam gemaakt van aarde, en een ziel daarin gestort; maar Eva van een rib genomen uit Adam
Ontstaan van het lichaam? 1) Bijbel: schijnt te
bevoordeligen rechtstreeks uit de aarde. 2) Wijsbegeerte:
geen principiële opwerking tegen de stelling van de evolutie
van het menselijk lichaam uit een dierlijk lichaam. 3)
Wetenschap: eerst stof, daarna het leven, maar hoe die
overgan??? Nu de verschillende overgangen van planten en
dieren, eindelijk het menselijk lichaam, hoe gekomen, waar
naartoe?
Ethnologie: studie over voor-historische
volkeren en de thans nog bestaande primitieven. Hoe
primitiever de materiële beschaving, hoe zuiverder de
godsgedachten, hoe zuiverder de zeden. Uitzonderingen op die
regel worden gewoonlijk verklaard door contact met zogezegd
meer beschaafde volkeren. V. De zin is: waaruit
heeft God de eerste mensen gemaakt, van welke het hele
mensdom voortkomt: heeft Hij ze onmiddellijk van niet
gemaakt, ofwel uit een reeds geschapene stof, en, zo ja, uit
welke stof? — Men bemerke hier wel dat de mens gemaakt is
door God, die hemel en aarde geschapen heeft met al wat er
in is; dat hij bijgevolg noch uit zijn eigen bestaat, noch
van enig ander schepsel van de aarde of van de hemel
voortkomt.
A. God heeft het lichaam van Adam, de eersten man, gemaakt — van aarde: van de aarde namelijk, in ’t begin van de schepping van niet voortgebracht; en een ziel daarin gestort: en een ziel, gemaakt niet uit aarde of iets anders, maar van niet, in dat gevormd lichaam gestort; maar Eva van een rib genomen uit Adam: maar het lichaam van Eva, de eerste vrouw, heeft God gemaakt uit een rib van Adam, en in dat gevormd lichaam heeft Hij een ziel gestort, gelijk Hij voor Adam gedaan had.
Adam en Eva werden geschapen in een zeer gelukkigen staat naar ziel en lichaam, want God gaf hun niet alleen al hetgeen tot een volmaakte menselijke natuur vereist is, te weten: een redelijke ziel, een lichaam, al het noodwendige om het leven te onderhouden met de hoop van, na de dood, een beter leven te bekomen; maar, uit een onbegrijpelijke goedheid, verleende Hij hun daarbij nog boven- en buitennatuurlijke gaven, waardoor zij tot de waardigheid van aangenomene kinderen Gods en erfgenamen van de hemel verheven werden, of waardoor zij, hier op aarde deelachtig gemaakt werden aan Gods goederen, alsof zij zijn eigen kinderen waren, en, voor het toekomende leven, het recht verkregen,in de hemel de goederen te erven die zijn eigen geluk uitmaken.
Door bovennatuurlijke gaven verstaat men zulke gaven die te boven gaan al hetgeen aan geschapene wezens, hoe volmaakt ook, toekomt of toebehoort. Buitennatuurlijke gaven integendeel zijn diegene welke eigenlijk niet aan de natuur die ze ontvangt, maar aan een verhevener geschapene natuur toebehoren.
De bovennatuurlijke gaven die zij ontvingen, waren de heiligmakende genade en al de bovennatuurlijke deugden en gaven van de H. Geest met het recht tot de nodige dadelijke genaden.
De buitennatuurlijke gaven waren de onsterfelijkheid, een zeer uitgestrekte wetenschap, de bevrijding van de ongeregelde begeerlijkheid en van de ellenden van ons levens hier op aarde.
Deze buitengewone gaven ontvingen zij niet alleen voor zichzelf, maar voor geheel hun nakomelingschap; doch op deze voorwaarde, dat zij, om die gaven voor zichzelf en hun nakomelingen te behouden, hun gehoorzaamheid aan God zouden betonen met niet te eten van de vrucht eens booms staande te midden van het Paradijs. Adam en Eva aten van de verbodene vrucht en verloren zoo, voor zichzelf en geheel hun nakomelingschap, al die buitengewone gaven.
Waar zijn de Engelen gemaakt en waarvan?
De Engelen heeft God van niet gemaakt in de hemel
Door de rede alleen kennen wij het bestaan van
mineralen, planten, dieren, mens, God. Volgens de Schrift is
er nog een schakel tekort, d.i. de engelen. Dit is ook
volgens ons verstand juist. God enkel geest (geen stof, geen
potentie). Mens geest + stof (akt en potentie). De
ontbrekende sport: geen stof, maar akt en potentie.
God
is zo klaar in Zichzelf dat hij, als hij God volkomen kent,
zijn vrijheid eigenlijk verliest, hij MOET God
bovendien beminnen, en dit is zijn geluk. Dus kan de engel
niet uit de hemel verdreven worden, dus een tid van
beproeving, buiten de hemel.
Gefixeerd zijn in
God
Een engel en een mens in de zaligheid hebben
toekomst, dit omdat ze een begin hebben gehad. Zijn kennis,
idee en vreugde aan het Godschap vernieuwt gedurigaan.
Menselijke voorstelling: rijstpap, eeuwig Walhalla, eeuwige
jachtvelden.
Uit de hemel komt niemand
Het
geluk is volmaakt in de hemel, daar ge telkens zoveel hebt
als ge kunt vatten. Alle mensen vormen toch maar de éne
mensheid. Mensen verschillen in HOE ze zijn en engelen in
WAT ze zijn. Omdat bij ons het verschil valt in accidenten
en bij de engelen in de essentie. De engelen zouden het
raadsbesluit van God willen kennen over de menswording van
Christus. Alle gevallen van bezetenheid zijn geen
zenuwzieken, nu zijn er ook nog. V. De Engelen
hebben geen lichaam, maar zijn enkele geesten met
rede en verstand begaafd. Het woord engel betekent
eigenlijk bode, afgezant.
A. De Engelen heeft God gemaakt: dus zij ook bestaan uit zieh zelf niet, noch zijn van enig ander geschapen wezen, maar wel van God gemaakt, en dat van niet: door zijn enkelen wil, zonder daartoe iets te gebruiken dat reeds bestond; in de hemel: in de plaats waar de gelukzaligen verblijven. Doch niet van het hegin van hun schepping genoten de Engelen daar het geluk van God aanschijn aan aanschijn te aanschouwen, maar hebben dat eerst, gedurende een zekeren proeftijd, moeten verdienen door God te eren en te loven,
Het getal van de Engelen is zeer groot. Zij worden gewoonlijk verdeeld in negen koren, waarvan de hoogste zijn de Serafijnen, de Cherubijnen en de Tronen.
Zijn de Engelen samen in de hemel gebleven?
Neen; want de ongehoorzame en hoogmoedige zijn daaruit gedreven in de afgrond van de hel
De twee hoogten van de satan zijn paradijszonde en
antichrist en hiertussen heeft hij een beperkte macht. De
mens is een redelijk schepsel van God met sterfelijk lichaam
en onsterfelijke ziel. Verschil tussen mens en dier: het
instinct is niet blind, doch is bepaald tot enkele
levensfuncties, en komt daar niet bovenuit. De dieren deden
nooit vooruitgang – wel op de aanpassing – en het dier heeft
tijd genoeg van ons af te kijken. God heeft de mens
geschapen, de ziel rechtstreeks, het lichaam onrechtstreeks.
De Bijbel verzet zich uitdrukkelijk tegen de dierlijke
afstamming van de ziel, dit mogen we echter niet zeggen van
het lichaam. A. De ongehoorzame en
hoogmoedige: de Engelen die, gedurende hun
proeftijd, met zich aan God niet te willen onderwerpen, in
hoogmoedigheid, en van daar in ongehoorzaamheid vielen,
zijn daaruit gedreven in de afgrond van de
hel: zijn, tot straf van hun zonde uit de hemel
gejaagd, en in de afgrond geworpen van de plaats, waar God
de verdoemden eeuwig straft. Van toen af genieten de
getrouwe Engelen, tot loon van hun deugd, het geluk van God
voor eeuwig te mogen aanschouwen.
Welk is het ambt van de Engelen?
God te dienen en te loven, en de mensen behulpig te wezen
V. Het ambt, d.i. de bediening.
A. De Engelen hebben plichten jegens God en jegens de mensen:
1° Jegens God: zij moeten Hem a) dienen: zijn wil volbrengen, onder andere, met zijn gezanten te zijn, om welke bediening juist zij de naam van Engelen ontvangen hebben; b) loven: Hem erkennen en eren als de Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, de Fontein van hun zaligheid en hun opperste Goed.
2° Jegens de mensen: zij moeten hun behulpig wezen: hun tot hun geluk dienst bewijzen met hen bij te staan in de gevaren van het lichaam en in de kwellingen van de ziel, met voor hen te bidden, met hen te vermanen.
Beide soorten van plichten zijn nauw met elkander verbonden: God immers heeft de mensen tot zijn kinderen aangenomen en bemint ze als zulke; bijgevolg is het onmogelijk Hem te beminnen zonder ook liefde te hebben voor de mensen: wie immers een vader bemint, moet ook diens kinderen beminnen.
Zijn er Engelen die ons bewaren?
Ja, en elk heeft één, die hem van het beginsel van zijn levens bewaart
V. Bewaren d.i. niet uitsluitend enigszins behulpig wezen, maar gedurig bewaken, gedurig beschermen.
A. Ja, er zijn zulke engelen, die gedurig op ons waken, en elk heeft één, die hem van het beginsel van zijn levens bewaart: iedere mens heeft een Engelbewaarder, die hem van het begin van zijn levens tot aan zijn dood onophoudelijk bijstaat.
Welk is het ambt van de Engel, onze bewaarder?
Ons tegen de bozen vijand te bevrijden, onze gebeden God op te dragen, en in het uiterste onze ziel te beschermen
A. Het ambt van onze Engelbewaarder is drievoudig:
1° Ons tegen de boze vijand te bevrijden: ons te helpen tegen de duivel, die gedurig rondloopt om ons in zonde te doen vallen, en daarom onze boze vijand genoemd wordt. De Engelbewaarder doet dit door goede vermaningen, door het afsmeken van nieuwe genaden, door van God.verwijdering van de duivel of vermindering van bekoringen te bekomen.
2° Onze gebeden God op te dragen: wanneer wij bidden, met ons mee te bidden, en God te smeken, dat Hij ons zou verhoren.
3° In het uiterste onze ziel te beschermen: als wij gaan sterven, ons op een bijzondere wijze te helpen om de duivel te overwinnen, de HH. Sacramenten te kunnen ontvangen en ons tot de dood wel te bereiden, om verduldig te lijden en onze wil aan God te onderwerpen.
Wat ons betreft, wij ziju onze Engelbewaarder schuldig: eerbied voor zijn tegenwoordigheid, dankbaarheid voor zijn weldaden en betrouwen voor zijn goedgunstigheid.
VRAGEN
Welke woorden van het Symbolum worden hier uitgelegd? — Hoe is deze les verdeeld? — Wat onderzoekt de Catechismus nopens ieder hoofdpunt?
Wat is er tot de almachtigheid vereist? — Verklaar de woorden: alle dingen en met zijn goddelijke wil. — Waarom mogen noch de mensen noch de Engelen almachtig genoemd worden? — Waarom wordt God met recht almachtig genoemd?
Zeg de zin van de vraag: Waarin heeft God zijn almachtigheid meest getoond. — Wat is scheppen? — Zeg, met de woorden van de Catechismus, wat God geschapen heeft; en leg die woorden uit. — Hoe heeft Hij zijn almachtigheid getoond in het scheppen van hemel en van aarde? — Hoe heeft Hij ze daarin meest getoond?
Zeg van wie de eerste mensen voorzeker niet voortkomen, en van wie zij wezenlijk voortkomen, — Van wie stamt geheel het mensdom af? — Hoe heeft God de eerste man gemaakt, en hoe de eerste vrouw? — Wat verschil is er tussen de manier op dewelke God de eerste man, en die op dewelke Hij de eerste vrouw gemaakt heeft? — In welke staat werden zij van God geschapen? — Wat ontvingen zij voor wat de volmaaktheid van de natuur aangaat, en wat nog daarenboven? — Voor wie hebben zij die bijzondere gaven ontvangen, en op welke voorwaarde? — Eiebben zij die gaven bewaard? — Waarin bestaan de bovennatuurlijke gaven, welke zij ontvangen hebben? — Welke buitennatuurlijke gaven hebben zij ontvangen?
Wat betekent het woord engel? — Wat zijn Engelen! — Zeg mer de woorden van de Catechismus waar, van wie en waarvan zij gemaakt Vn; en leg het antwoord uit. — Zijn er vele Engelen, en hoe worden zij verdeeld? — Hebben de Engelen van in het begin God aanschijn aan aanschijn gezien?
Zijn er Engelen uit de hemel gedreven? — Zeg met de woorden van de Catechismus, welke Engelen er uitgedreven zijn, en leg die woorden uit. — Zeg waar zij gedreven geweest zijn, en verklaar het woord. — Wat hebben de getrouwe Engelen toen ontvangen?
Welk is de zin van de vraag: Welk is het ambt van de Engelen? — Zeg met de woorder van de Catechismus welk het ambt van de Engelen is, a) jegens God en b)jegens de mensen, en verklaar het antwoord. — Toon hoe deze twee plichten innig verbonden zijn.
Welk is hier de betekenis van het woord bewaren? — Zijn er Engelen, die op ons gedurig waken? — Welke mensen hebben een Engelbewaarder, en hoeveel hebben zij er? — Sedert wanneer en tot hoe lang hebben zij een Engelbewaarder?
Hoeveel en welke plichten heeft de Engelbewaarder te onze opzichte? — Leg ieder van die plichten uit. — Wat zijn wij onze Engelbewaarder schuldig?